Shopping Cart
Your Cart is Empty
Quantity:
Subtotal
Taxes
Shipping
Total
There was an error with PayPalClick here to try again
CelebrateThank you for your business!You should be receiving an order confirmation from Paypal shortly.Exit Shopping Cart

Mijn bijdrage aan de verhalenbundel Een wereld vol kleuren. Verhalen over diversiteit, samenstelling Erik Idema en Erik Renkema (Kwintessens 2022)


Elke zondag open


Aan de hoge muur van de kerk hangt een groot wandkleed. Een stukje donkergele stof stelt een ondergaande zon voor. Eromheen vormen repen stof in steeds donkerder oranje de avondlucht. In de lucht zijn niet alleen zwarte vogels geborduurd, in de vorm van de letter v, maar ook een heleboel namen, met jaartallen erbij.

“Ga even zitten en kijk eens rustig naar dit kleed”, leest Stijn in het boekje met opdrachten dat hij heeft meegekregen. “Op dit kleed staan de namen van mensen uit onze kerk die zijn overleden. Dan vergeten we hen niet. We geloven dat God hen vasthoudt. Misschien moet jij nu ook aan iemand denken die er niet meer is. Als je wilt, mag je een kaarsje voor hem of haar opsteken.”

Even hoort Stijn de stemmen van de andere kinderen niet meer galmen. Hij moet ineens aan oma Corrie denken. Tranen prikken in zijn ogen. Hij buigt zijn hoofd, dan ziet Wendy hopelijk niet dat hij een beetje moet huilen. Ze zit onderuitgezakt op de stoel naast hem. De kinderen van zijn klas doen twee aan twee een speurtocht door de kerk. En Stijn moest uitgerekend met Wendy. Ze sjokt de hele tijd ongeïnteresseerd achter hem aan en maakt flauwe grappen over alles waar ze langskomen en een opdracht moeten doen: het orgel, de preekstoel, het kruis, het doopvont en het hoekje waar ze met een koptelefoon op naar een lied kunnen luisteren. Maar nu, bij het kleed met de namen, is ze gelukkig ook even stil.

Stijn staat op, steekt een waxinelichtje aan en zet het tussen de andere die al op een groot glimmend blad staan te branden. “Aan wie denk je?” vraagt Wendy ineens, met een gekke piepstem. Ze is rechtop gaan zitten. Stijn slikt. “Aan mijn oma”, zegt hij schor. “Ik aan mijn broertje”, zegt Wendy langzaam. “Hij is verdronken toen hij vijf was. Denk je dat die God waar ze het hier over hebben, hem ook vasthoudt?”

Stijn weet niet wat hij moet zeggen. Wendy ook niet. Tijdens de rest van de speurtocht zijn ze allebei stil. Als de kinderen allemaal klaar zijn met de speurtocht, moeten ze vooraan in de kerkbanken gaan zitten. “Ik hoop dat jullie het leuk vonden”, zegt de mevrouw van de kerk. Het is Nicks moeder. “Als je wilt, mag je gerust nog eens terugkomen. We zijn elke zondag open. Net als de IKEA.”

“Nou, zo leuk is dat anders niet”, zegt Nick zachtjes, een paar rijen achter Stijn, zo ver mogelijk van zijn moeder vandaan. De jongens om hem heen gniffelen. Stijn vindt Nick niet zo aardig. Nick heeft altijd wel iets om over op te scheppen. Maar hij heeft nooit verteld dat hij elke zondag met zijn ouders naar de kerk gaat.

Ook niet toen ze het er pas in de klas over hadden. “We gaan dit jaar eens onderzoeken wat mensen allemaal geloven”, had juf Nicole gezegd. “Of niet natuurlijk. En we gaan op bezoek bij een kerk, een moskee en een synagoge. Om eens te zien wat daar te beleven valt.” Daarna vroeg ze wie er wel eens in een kerk komt. Alleen Richard stak zijn vinger op. En in een moskee? Dat zijn Esma, Nabil, Fatima en Tariq. Een synagoge dan? Niemand stak zijn vinger op. Of in een tempel misschien? Dat blijken Harish en Devika te zijn.

Ze mochten allemaal vertellen wat ze van de kerk, de moskee of de tempel vonden. Het was er soms best saai, begreep Stijn, maar je kon er ook rustig worden, mooie verhalen horen en bidden als je ergens mee zat. Toen hadden ze het erover dat er ook veel vaders en moeder zijn die nooit op zo’n plek komen. Maar dat ze wel nadenken en met elkaar praten over het leven, over wat belangrijk is en waar ze troost vinden als ze het moeilijk hebben. En dat je als kind niet hetzelfde hoeft te geloven als je ouders. “Nee, zeker niet”, riep Nick toen.

Als ze van de kerk terug naar school lopen, stapt Stijn aarzelend op Nick af. “Ik….eh…ik zou best een keer mee willen…naar de kerk”, hakkelt hij. Nick kijkt hem spottend aan. “Hé, hoor je dat”, roept hij naar de jongens achter hem. “Die Stijn wil nog wel een keer naar de kerk.” De jongens lachen schamper. Als Nick de gekwetste blik in Stijns ogen ziet, wordt hij iets vriendelijker. “Ah joh, daar bedoel ik toch helemaal niks mee. Als je op zondagmorgen niets beters te doen hebt, dan ga je toch gewoon mee? Van mij mag je, dan kunnen we ons samen vervelen. Maar je moet wel vroeg opstaan. Wij gaan altijd om half tien van huis.”

“Ik ga morgenochtend naar de kerk”, zegt Stijn zaterdag tijdens het avondeten ineens. “Met Nick.” Zijn vader en moeder kijken elkaar verbaasd aan. “Eh, oh…”, antwoordt zijn vader. “En waarom dat?” Stijn vertelt over het bezoek van zijn klas aan de kerk, en dat hij het zo’n fijne, stille plek vond. “Nou, als je dat eens een keertje wilt proberen, mij best”, zegt zijn moeder een beetje lacherig. “Maar je weet dat wij niet in God geloven hè?”

De volgende ochtend staat Stijn precies op tijd met zijn fiets bij Nicks huis. Nicks moeder begroet hem vriendelijk. “Wat leuk dat je een keer met ons mee wilt.” Met Nick, zijn ouders en zijn zusje fietst Stijn naar de kerk. Weer valt het Stijn op hoe rustig het in de kerk is, ondanks het zachte geroezemoes van stemmen, en hoe mooi het licht in verschillende kleuren door de ramen valt. Als de dominee binnenkomt, wordt het helemaal stil, op de klanken van het orgel na.

Er wordt veel gezongen en gezegd, en Stijn snapt er niet veel van, maar hij laat het allemaal maar over zich heen komen. Af en toe kijkt hij naar het kleed aan de wand. Als de dominee aan zijn preek begint, gaat hij met Nick en zijn zusje naar een andere ruimte. Daar vertelt Nicks moeder een verhaal uit de Bijbel. Nick is stiekem bezig met zijn telefoon, maar Stijn luistert ingespannen. Die moeder van Nick kan goed vertellen. Na het verhaal gaan ze terug naar de kerkzaal voor het laatste stuk van de dienst. De dominee bidt. “Voor hen die verdriet hebben bidden wij. Wilt u hun troost en kracht geven.”

Na de kerkdienst mag Stijn met Nick mee naar huis voor het middageten. Voordat ze aan de boterhammen beginnen, zegt Nicks vader een gebed op. Hij dankt God voor alles wat er op tafel staat. “Dat doen we om er even bij stil te staan hoe bijzonder het is dat we elke dag te eten hebben”, legt hij uit. “Wat leuk dat jij mee-eet. Nick neemt eigenlijk nooit vriendjes mee naar huis.”

“En, hoe was het?” vragen Stijns ouders als hij weer thuiskomt, maar erg geïnteresseerd klinkt het niet. Als Stijn in de weken daarna nog een paar keer mee naar de kerk gaat, willen zijn ouders er meer van weten. “Zit er soms een leuk meisje in die kerk?” vraagt zijn vader met een vette knipoog. “Of delen ze er snoep uit?” Op dat soort stomme vragen reageert Stijn natuurlijk niet.

“Gaat het wel goed met je?” vraagt zijn moeder. “Waarom zou het niet goed gaan?” antwoordt Stijn. Het komt er minder aardig uit dan hij wil. “Maar geloof je dan in God?” gaat zijn moeder verder. Ze kijkt hem bezorgd aan. “Weet ik veel, ik vind het gewoon een fijne plek”, zegt Stijn. Hij denkt even na. “Toen ik er de eerste keer was, moest ik aan oma Corrie denken. Ze hebben daar een kleed waar de namen op staan van mensen die er niet meer zijn. Ze geloven dat God hen vasthoudt als ze dood zijn. Zou dat kunnen, denk je?” Als hij zijn moeder aankijkt, ziet hij de tranen in haar ogen. Ze omhelst Stijn en drukt hem tegen zich aan. “Dat zou fijn zijn hè, om dat te weten”, zegt ze met zachte stem.

Zonder die andere jongens om hem heen is Nick veel aardiger dan Stijn dacht. Hij komt nu geregeld bij Stijn spelen. Soms eet hij ook mee. De eerste keer vouwt hij aan het begin van de maaltijd automatisch zijn handen. “Dat doen we hier niet hoor”, zegt Stijns vader. “Aanvallen maar.” Nick grijnst. “Zeg Nick, wat is er toch zo leuk aan die kerk van jullie?” vraagt Stijns moeder. “Stijn is er niet weg te slaan.” Nick kijkt spottend naar Stijn. “Ik zou het echt niet weten. Maar over een tijdje gaan we met de klas ook nog naar de moskee en de synagoge. Als Stijn het daar ook zo leuk vindt, zien jullie hem op vrijdag en zaterdag ook niet meer.”

“Die ouders van jou”, zegt Nick als ze weer op Stijns kamer zijn, “die zijn best chill. Wat denk je, zullen we een tijdje ruilen? Dan mag jij elke zondag mee naar de kerk en ben ik er een tijdje van af.”